opsluiten

/ˈɔpslœytə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iemand achter slot gevangen zetten
    Hij sloot de hond even op in de achterkamer.
    ‘Ik was al eens zes maanden opgesloten omdat ik mijn haar had laten knippen. De Standaard 15/01/2019 door jvt [http://www.standaard.be/cnt/dmf20190115_04104606 Saudische tiener: ‘Ik hoop dat mijn verhaal andere vrouwen aanmoedigt om vrij te zijn’]
  2. refl (refl) zich opsluiten: zichzelf vrijwillig dwingen ergens op een vaste plaats te blijven
    Barbie en ik sloten ons uren op in de keuken om het feestmaal voor te bereiden.

Vertalingen

Engelslock up
Fransenfermer
Duitseinschließen
Spaansrecluir, encerrar, acerrojar