opponent

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de tegenstander in een debat
    De SPD-leider waagde er zich niet aan om zijn opponent Merkel openlijk aan te vallen. Maar hij presenteerde wel een paar voorstellen die het CDU niet met gejuich zal ontvangen. Tubantia Gerben van 't Hof 15-08-17
    Mensenrechtenorganisaties en opponenten van Chávez zien de uitspraak als bewijs dat de linkse, autoritaire president het Hooggerechtshof in zijn zak heeft. Human Rights Watch publiceerde een kritische reactie: „Het Hooggerechtshof van Venezuela behoort vandaag de dag in principe tot president Chávez.” NRC 19 oktober 2011
  2. lid van een promotiecommissie bij een wetenschappelijke promotie die als taak heeft het proefschrift kritisch te lezen en de promovendus kritisch te bevragen
  3. iemand die in een discussie tegen de verdedigde stelling opkomt
  4. de tegenpartij in een rechtszaak
    Zegveld vreesde dat Knoops de mariniers dermate gaat voorbereiden, dat ze niet meer uit eigen waarneming en ervaring onafhankelijk spreken. Knoops is vroeger zelf ook marinier geweest en is nog steeds reserveofficier. Zegveld heeft de angst dat hij vanuit die rol als verlengstuk van haar opponent, het ministerie van Defensie, zou kunnen spreken. Volkskrant Wil Thijssen 4 september 2017
  5. tegenstander in een sportwedstrijd
    De Belgische vrouwen wonnen hun openingswedstrijd in poule F met 3-1 van Denemarken (ITTF 60). Donderdag zijn Servië (ITTF 28) en Italië (ITTF 30) de opponenten. de Standaard 13/9/2017

Etymologie

* van opponeren

Vertalingen

Engelsantagonist