oplopen

/ˈɔplopə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) naar boven hellen
    De grond loopt hier op.
  2. erga (erga) iets ~: lopend naar boven gaan
    Hij liep de trap op.
    Een brede kerel kwam het pad oplopen met twee grote emmers water in zijn handen.
  3. erga (erga) in getal of hoeveelheid toenemen
    De temperatuur liep zodra de zon opgekomen was flink op.
    Een precies getal aan verloren omzet kan het CBL niet geven, "maar dat blijft oplopen hoe langer de distributiecentra bezet zijn". Maandag had het CBL het nog over miljoenen euro's, nu zou het al over tientallen miljoenen gaan. De supermarktketen Coop liet eerder op de dag weten meerdere miljoenen euro's schade te verwachten.
  4. ov (ov) een besmetting of beschadiging verkrijgen
    Hij had in dat kroeggevecht een blauw oog opgelopen.
    Veel mensen wachtten vol ongeduld op hun postdozen die door de bosbranden veel vertraging hadden opgelopen.

Etymologie

*: "oploop" met de uitgang -en

Vertalingen

Engelswalk up, increase