oploop
mannelijk (de)/ˈɔplop/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- samenscholing van mensen op een straat of plein, vaak gericht op iets waar ze boos over zijn
Etymologie
*: "oplopen" zonder de uitgang -en
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek
*: "oplopen" zonder de uitgang -en