opgaan
/ˈɔpxan/
Betekenis
werkwoord
- (erga) oprijzen, omhooggaanDe zon gaat morgen om zes uur op.
- (erga) een succes zijn, juist blijkenNee, die redenering gaat niet op.
- deel worden van een groter geheel en daarin niet meer als afzonderlijk element te onderscheiden zijnOpgaan in de groep
Uitdrukkingen
- [1] in vlammen opgaan
Vertalingen
Engelsarise, ascend, get up
Spaansmontar, subir
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek