opgaaf

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɔpɣaf/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. melding van bepaalde gegevens
    De hotelbaas moet aan de politie opgaaf doen van al zijn gasten.
  2. te vervullen taak
    Zij stond alleen voor de opgaaf om de kinderen groot te brengen.
  3. verouderd (verouderd) een nederlaag aanvaarden, de strijd opgeven
    De overmacht van de vijand maakte de opgaaf onvermijdelijk.