opgaaf
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɔpɣaf/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- melding van bepaalde gegevensDe hotelbaas moet aan de politie opgaaf doen van al zijn gasten.
- te vervullen taakZij stond alleen voor de opgaaf om de kinderen groot te brengen.
- (verouderd) een nederlaag aanvaarden, de strijd opgevenDe overmacht van de vijand maakte de opgaaf onvermijdelijk.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek