openingsdag
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de datum dat iets in gebruik wordt genomenOp 18 mei 1899, de openingsdag van de Eerste Haagse Vredesconferentie en tevens de verjaardag van haar initiatiefnemer tsaar Nicolaas II, verzamelden gedelegeerden zich 's morgens in de kleine kapel van Buitenrust.
- een van de dagen dat iets open is
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek