openbaarheid
vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het zichtbaar of toegankelijk zijn voor het grote publiek' Maakt hij die scherpe, confronterende opmerking met opzet, of zijn de woorden een symptoom van zijn zenuwen nu ze in de openbaarheid treden en door iedereen bekeken worden? Ze is het in elk geval niet met hem eens.Nieuwe bestuurswaarborgen Q Qpenbaarheid van vergaderingen Qpenbaarheid van informatie Misbruik van de Wet openbaarheid van bestuur De Nationale ombudsman Referendum en volksinitiatief De Tijdelijke referendumwet Het referendum over de Europese Grondwet Het burgerinitiatief 9.Hij vertelde in alle openbaarheid over zijn voorgenomen huwelijk.
Etymologie
* afgeleid van openbaar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek