opengaan
/ˈopəŋˌɣan/
Betekenis
werkwoord
- (erga) zich openenEr is hier op de hoek net een nieuwe winkel opengegaan.
- (weer) in gebruik nemenRijkswaterstaat heeft vervanging gezocht. „Het is altijd even puzzelen. We hopen hem snel weer open te zetten”, zei de woordvoerder. Rijkswaterstaat verwachtte eerder vanochtend dat de tunnel rond 08.00 uur weer open zou gaan, maar dat is niet gelukt. Later stelde Rijkswaterstaat die verwachting bij naar 09.00 uur.Toen het loket in maart voor de eerste keer openging, was het geld ook binnen enkele uren vergeven. Door de grote toestroom ontstonden toen zelfs IT-problemen.
Uitdrukkingen
- deuren die voor iemand opengaan — dat iemand makkelijk contact maakt met mensen die niet makkelijk te benaderen zijn
Vertalingen
Engelsopen
Franss'ouvrir
Duitsaufgehen, sich öffnen
Spaansabrirse
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek