opblazen

/ˈɔblazə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) doen ontploffen
    Dat gebouw wordt opgeblazen.
  2. ov (ov) een gas in een uitzetbare ruimte pompen
    Een ballon opblazen.
  3. een gas in een bepaalde richting laten stromen
    Doordat de wind recht mijn kant opblies en het geluid van de donder steeds dichterbij kwam bleven mijn tranen stromen.
  4. ov (ov) (een gebeurtenis) op overdreven manier beschrijven

Etymologie

* In de betekenis van ‘doen ontploffen’ voor het eerst aangetroffen in 1642

Vertalingen

Engelsblow up, inflate, blow up
Fransgonfler
Duitssprengen, aufpumpen, aufbauschen
Spaansexplotar, estallar, inflar