oorlogstijd

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de periode waarin men oorlog voert
    1940 - 1945 was een oorlogstijd in Nederland.
    Voor de scènes die hij in zijn cartoons weergeeft doet hij „inspiratie op in het dagelijks leven”. Poirrié: „Ik kan me voorstellen dat kleinkinderen opa’s spulletjes uit de oorlogstijd van de politionele acties op een rommelmarkt verkopen.” NRC Kester Freriks 28 december 2016
    Haar vader had financiële problemen, Louise noch hij wist er de details van, maar ze hadden begrepen dat het om een paar minder geslaagde zaken ging, misschien zelfs van die zaken die zo nu en dan voorkomen in oorlogstijd, die zaken waarbij je het risico liep het slachtoffer te worden van minder gewetensvolle debiteurs.

Uitdrukkingen

  • burgemeester in oorlogstijdiemand die met de vijand samenwerkt om erger te voorkomen