oorlog

mannelijk (de)/ˈorlɔx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. militair, politiek (militair) (politiek) een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen en/of tussen twee of meer landen of “de voortzetting van de politiek met andere middelen” (Clausewitz)
    Een oorlog is altijd voor niets, terwijl de strijdende partijen denken dat het over alles gaat.
    In de vorige eeuw waren er twee wereldoorlogen. Een oorlog heet een wereldoorlog als er heel veel landen aan meedoen. Aan de Eerste Wereldoorlog deed Nederland niet mee. Maar aan de Tweede Wereldoorlog wel.
    Volgens de overlevering vluchtten meisjes uit Plancher-Les-Mines gedurende de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) de bossen in om te ontkomen aan bloeddorstige huurlingen in dienst van de Zweedse bezetter.

Etymologie

*afgeleid van 'log' (afl. van leggen)

Uitdrukkingen

  • Langlopend en hevig conflict tussen twee naties, waarbij het echter niet tot een gewapende strijd ("warme oorlog") komt
  • Op voet van oorlog zijn/levenerge ruzie hebben

Vertalingen

Engelswar
Fransguerre
DuitsKrieg
Spaansguerra
Italiaansguerra
Portugeesguerra
Russischвойна
Chinees战争
Japans戦争
Koreaans전쟁
Arabischحرب
Turkssavaş
Poolswojna
Zweedskrig
Deenskrig