oorlogsleider

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. leider van een land dat in oorlog is
    Iedere heerser van Britannia, tot mijn vader Uther toe, heeft de titel gedragen die de Romeinen gaven aan een oorlogsleider onder een koningin: dux bellorum, oorlogsheer.
    Na afloop stonden er in het huis, dat vroeger Ambrosius' hoofdkwartier was geweest, lekkernijen en wijn en er was veel ceremonieel toen Ambrosius' oorlogsleiders één voor één Uther trouw zwoeren.