ontvreemding

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het plegen van een diefstal
    Tegenover Mirjam: ik heb een zoon bij je verwekt, en die is er nu niet meer, ik heb zijn ontvreemding niet kunnen voorkomen.
    Bij de RCN hadden de ICT-systemen en ook de verbindingen met netwerken van andere rijksdiensten zoveel kwetsbaarheden, 'dat het risico van inbraak en ontvreemding en manipulatie van informatie aanwezig was'.

Etymologie

* van ontvreemden

Vertalingen

Engelsfraud, robbery, theft