diefstal
mannelijk (de)/'difstɑl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (juridisch), (misdaad) het zich onrechtmatig toe-eigenen van goederen of andere bezittingen die aan een ander toebehorenHij werd van diefstal beschuldigd.
Etymologie
* Van het Middelhoogduitse diepstâle.
Vertalingen
Engelstheft
Fransvol
DuitsDiebstahl
Spaansrobo
Italiaansfurto
Portugeesroubo, furto
Russischкража
Chinees盜竊, 盗窃
Japans盗み, ぬすみ
Koreaans도둑질, 절도
Arabischسرقة
Poolskradziez, kradzież
Zweedsstöld
Deenstyveri
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek