ontgoocheling
vrouwelijk (de)/ɔntˈxoxəlɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- grote teleurstelling na een onverwachte tegenvaller
Etymologie
*leenvertaling van "désillusion" , nu op te vatten als van ontgoochelen gevormd
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek