onkel
mannelijk (de)/ˈɔŋkəɫ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (familie) broer of zwager van iemands vader of moederTijdens de vakantie helpt die student mee in de winkel van zijn onkel.
Etymologie
*Ontleend aan het Franse oncle.
Vertalingen
Fransoncle, tonton
DuitsOnkel
Spaanstio
Italiaanszio
Portugeestio
Turksamca
Poolswuj
Zweedsfarbror, morbror, onkel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek