omtrekking

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het met een grote boog om de vijandelijke legers heen trekken
    Hij liep naar de kaart en begon ratelend te praten, waarbij hij met zijn dorre vinger naar de kaart wees om aan te tonen dat geen enkele onvoorziene gebeurtenis de doelmatigheid van het Drissa-kamp zou kunnen aantasten, dat alles voorzien was, en dat als de vijand inderdaad tot een omtrekking zou overgaan, die vijand dan onvermijdelijk vernietigd zou worden.

Etymologie

* van omtrekken