omtrekken

meervoud/ˈɔmtrɛkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets uit een staande positie brengen door het met een krachtige beweging naar je toe te halen
  2. ov (ov) omver smijten, neerhalen
    Bij het omtrekken van het muurwerk van het kasteel zullen grote delen op het gewelf terecht zijn gekomen.
  3. ov, figuurlijk (ov) (figuurlijk) van een verheven positie beroven, omverwerpen
    Ze zetten je als KGB-agent neer die het koningshuis wil omtrekken, (…)
  4. ov (ov) in een gekantelde positie brengen, overhalen
    Mijn vader had er ook plezier in mijn broer en mij de weetjes van een spoorman bij te brengen: waarom de wagenmeester met zijn hamer op de wielen sloeg, hoe een wissel werd omgetrokken, (…)
  5. ov (ov) er de randen van aangeven, er de contouren van markeren
  6. ov (ov) ergens een lijn omheen tekenen
    De derde en de vierde les werden besteed aan het omtrekken van de potloodlijnen met inkt en de laatste stap was het inkleuren met gewassen inkt.
  7. ov, figuurlijk (ov) (figuurlijk) denkbeeldig markeren
    In de verte zagen wij een zwakke branding spatten tegen de rotspunten van Nordnaes en die omtrekken met een lijn van wit en bobbelend schuim; (…)
  8. ov (ov) eromheen geplaatst zijn, eromheen aangebracht zijn
    De ornamentatie beperkt zich tot enkele lijnen die langs de hals en de onderkant van de mantel omgetrokken zijn.
  9. ov (ov) een draaiende beweging veroorzaken door iets met enige kracht naar je toe te halen
  10. ov (ov) door trekkracht laten ronddraaien
    (…) door schimmels omgetrokken caroussels, (…)
  11. ov (ov) door rukken in een andere stand draaien
    Raas worden omgetrokken, touwen gevierd en weer vastgesjord.
  12. ov, verouderd (ov) (verouderd) verwisselen door aan- en uitdoen (van kousen en schoeisel, om te voorkomen dat ze ongelijkmatig slijten)
    De laarzen waren gauw losgeveterd, de roodbruine kousen afgestroopt en omgetrokken.
  13. intr (intr) ergens omheen gaan
    Onze derde groep was omgetrokken en kwam juist op tijd in aktie, onzichtbaar achter een bosrand.
  14. intr, verouderd (intr) (verouderd) rondreizen
    Trek nu om, door alle stammen van Israël, van Dan tot Ber-seba toe, en tel het volk, opdat ik het getal des volks wete.
zelfstandig naamwoord
  1. buitenranden, contouren
    De foto is niet overdreven scherp, vooral de grote karakteristieke omtrekken worden duidelijk weergegeven: zo tekent hij het gezicht.
  2. nabijgelegen plek(ken) (het meervoud is hier vooral versterkend bedoeld)
    In geen omtrekken nog enige intelligentsia te bekennen, tenzij je de joden en de zelfstandigen daarmee zou verwarren.
  3. figuurlijk (figuurlijk) globale, niet uitgewerkte weergave, contouren, schets
    Kunt u dan in omtrekken uw loopbaan als antiquaar beschrijven?
werkwoord
  1. ov, militair (ov) (militair) troepen zo langs een tegenstander heen verplaatsen dat het mogelijk wordt zijn verbindingen af te snijden of hem van achteren aan te vallen
    Als de gehele stelling aan beide flanken aansloot op een andere stelling of hindernis, was de linie niet snel te omtrekken.
  2. ov, verouderd (ov) (verouderd) omringen, hullen
    Zy liet die omtrekken met eenen muer van 60 mylen lang, 200 cubitus hoog en 50 dik.
  3. ov, verouderd (ov) (verouderd) afbakenen
    Dan komen de prinsen te paard om de grenzen van de dodenplaats te omtrekken: (…)

Etymologie

*[B] : van Middelnederlands "ommetrecken", op te vatten als

Vertalingen

Engelsdelineate, draw