omstander

mannelijk (de)/ˈɔmstɑndər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. toeschouwer, getuige
    De omstander schoot te hulp toen de spoorbomen dichtgingen en wist de man en de hond net op tijd weg te halen.

Vertalingen

Engelsonlooker
Fransbadaud
DuitsZuschauer
Spaansmirón