omslaan

/ˈɔmslan/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets met een draaiing bewegen zodat de ommezijde boven komt te liggen
    Hij sloeg de bladzijde om.
  2. ov (ov) om iets heen bewegen
    ... waarna de auto de hoek omsloeg.
  3. erga (erga) plotseling en met geweld omkantelen of omvallen van boten, voertuigen
    Op het meer is door de harde wind een zeilboot omgeslagen.
  4. erga (erga) plotseling veranderen van iets
    Het beleid slaat om.
    Het optimisme op Wall Street slaat om.
    Angst sloeg om in pure paniek.