omkoperij

vrouwelijk (de)/ˌɔmkopəˈrɛi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. met geld iemand die een ambt bekleedt ertoe bewegen iets te doen dat niet oorbaar is
    Allerlei soorten omkoperijen tieren welig in dat land en dat is economisch goed te merken.

Etymologie

* van omkopen

Vertalingen

Engelsbribery, corruption
Franscorruption
Spaanssoborno