omgorden

/ɔmˈɣɔrdə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. refl (refl) met een gordel omgeven, omringen, omdoen
    't Zijn vijftig jaren dan, sints met beschroomde stoutheiduw jonkheid zich omgordde, om de eêlste vrucht der oudheidaan d' Amsterl gâ te slaan met zijner zonen bloem, ...{{Aut|Isaäc Da Costa
    Ik liet mijn blik waren over het landgoed dat het hotel omgordde.
werkwoord
  1. ditr (ditr) omheen doen
    Hij kreeg daarbij een sjerp omgegord.

Vertalingen

Fransceindre
Spaansceñir