olifantsbeen

mannelijk (de)/ˈolifɑntsˌben/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bot van een dikhuidig slurfdier uit de familie
    Maandag kreeg de paus in de Angolese stad M'Banza Congo een olifantsbeen aangeboden. Met deze ongewone offergave tijdens een kerkdienst wilde men de aandacht vestigen op het lot van de Afrikaanse olifant, die in talrijke landen met uitroeiing wordt bedreigd.
  2. materiaalkunde (materiaalkunde) hard, wit materiaal afkomstig uit de slagtanden van dikhuidige slurfdieren
    Volgens deze organisatie is de illegale handel in ivoor nooit tevoren zo'n gevoelige slag toegebracht. (…) Het Verre Oosten geldt als de grootste afnemer van olifantsbeen.
  3. figuurlijk (figuurlijk) heel dik been bij een mens
    Over de man, die hem dit gipsbeen heeft bezorgd, Heinz Stuy, de keeper van Telstar, geen woord van verwijt. Het enige, wat Moulijn van hem zegt, is: „Stuy viel als een steen op me. Ik voelde mijn been omzwikken en ik dacht al meteen, dat is mis, maar ja, het is een sterke jongen, die ergens gebruik maakt van zijn kracht." Is er onmiddellijk een dokter bij geweest? Neen, onze verzorger, Gerard Meijer, heeft me behandeld. Met een ijsstaaf, om een bloeduitstorting tegen te gaan. Desalniettemin had ik 's avonds een olifantsbeen.
  4. medisch (medisch) (Suriname) aandoening waarbij de huid van de benen veel dikker wordt door een infectie met bepaalde wormen
    Z'n prachtigschone mannenlijf vol spieren is geworden tot een wrakkig ding, huid vol met ruwe plekken; voeten met grote wratten, olifantsbeen heeft hij nu; (…)
    Dank zij intensieve bestrijdingscampagnes is filaria in belangrijkheid afgenomen. Bij de jongere generatie ziet men dan ook het zgn. ‘olifantsbeen’, veroorzaakt door deze ziekte, uit het stads- en dorpsbeeld verdwijnen.

Etymologie

**[2] vergelijk "Elpenbein"