ivoor

onzijdig (het)/iˈvor/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. materiaalkunde (materiaalkunde) wit materiaal afkomstig van de slagtanden van vooral de olifant
    Zonder Oscars vermogen, verworven met mahonie en ivoor, had Ingeborg dus nooit de vrouw kunnen worden van een eenvoudige Noorse ingenieur, zelfs niet wanneer hij opgeleid was aan de Technische Hochschule in Dresden.
  2. siervoorwerp dat is vervaardigd uit de slagtanden van de olifant
    De mooiste ikoon is een 10e-eeuws, Constantinopolitaans ivoor uit de Macedonische renaissance (Staatliche Museen te Berlijn), waarvoor de snijder zich enigszins liet inspireren door klassieke figuren uit de gigantomachie.
    Kunt u die panelen ook leveren in ivoor?

Etymologie

**[2] als leenvertaling van "Elfenbein"

Vertalingen

Engelsivory
Fransivoire
DuitsElfenbein
Spaansmarfil
Russischслоновая кость
Deenselfenben