nok

mannelijk/vrouwelijk (de)/nɔk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) het hoogste gedeelte van een schuin dak
  2. bouwkunde (bouwkunde) bovenste snijlijn van twee dakschilden
  3. motortechniek (motortechniek) een uitstulping op een as waarmee het openen en sluiten van de kleppen wordt gestuurd
    Een nokkenas met versleten nokken.
  4. scheepvaart (scheepvaart) uiteinde van een mast of een paal op een schip
    Er wapperde een zwarte vlag in de nok van het piratenschip.

Etymologie

* In de betekenis van ‘hoogste deel van dak’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1412

Vertalingen

Engelscam
Franscame, faîte
DuitsNocken
Spaansleva