nok
mannelijk/vrouwelijk (de)/nɔk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) het hoogste gedeelte van een schuin dak
- (bouwkunde) bovenste snijlijn van twee dakschilden
- (motortechniek) een uitstulping op een as waarmee het openen en sluiten van de kleppen wordt gestuurdEen nokkenas met versleten nokken.
- (scheepvaart) uiteinde van een mast of een paal op een schipEr wapperde een zwarte vlag in de nok van het piratenschip.
Etymologie
* In de betekenis van ‘hoogste deel van dak’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1412
Vertalingen
Engelscam
Franscame, faîte
DuitsNocken
Spaansleva
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek