niet
mannelijk (de)/nit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- loterijlot waarop geen prijs valtIk heb nooit geluk, als ik loten koop zijn het altijd nieten.
zelfstandig naamwoord
- wat onbestaand is, absolute leegteJe moet een onbekende blijven,Je spoor verbergen in het niet,En gaan waarheen de nevels drijvenTot je geen hand voor ogen ziet.
zelfstandig naamwoord
- klein, vaak beugelvormig, metalen voorwerp met twee spitse uiteinden die met een daarvoor bestemd apparaat krachtig door een of meer vlakke lagen worden geduwd zodat ze zich vervormen en zo die lagen aan elkaar of aan een ondergrond vastmakenEen nietje in de linkerbovenhoek hield de velletjes papier bijeen.
- (verkeer) (figuurlijk) straatmeubilair in de vorm van een grote metalen beugel waartegen fietsen gestald kunnen worden
Etymologie
*níét (als dit in de zin bijzondere nadruk krijgt om de tegenstelling met een ander zinsdeel of een eerdere uitspraak aan te geven; geschreven volgens die in principe ook geldt bij gebruik als zelfstandig naamwoord, maar in die vorm is zulke nadruk veel zeldzamer)
Uitdrukkingen
- al dan niet — wel óf niet
- breek me de bek niet open
- de huid niet verkopen voor de beer geschoten is
- de kaas niet van het brood laten eten — voor het eigen belang opkomen
- de zon niet in het water kunnen zien schijnen — jaloers zijn, iets niet kunnen verdragen
- door de bomen het bos niet meer zien — door een overvloed aan informatie het overzicht verliezen
- een gegeven paard niet in de bek kijken — iets wat je gemakkelijk krijgt niet bekritiseren
- een gegeven paard niet in de bek kijken
Vertalingen
Engelsnot, staple
Fransagrafe
Duitsnicht, Heftklammer
Spaansno, grapa
Italiaansnon, no
Portugeesnão
Russischне
Japansではない, ない, ホッチキス
Koreaans아니다
Arabischلا
Turksdeğil
Poolsnie
Zweedsinte, ej, icke
Deensikke
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek