wel

mannelijk/vrouwelijk (de)/wɛl/

Betekenis

tussenwerpsel
  1. uitdrukking van verbazing
    Wel, wel, wie hebben we daar!
  2. gebruikt om iets in te leiden of nader te verduidelijken; welnu
    Wel, dit ging als volgt....
    Wel, vertel eens op!
zelfstandig naamwoord
  1. waterbeheer (waterbeheer) een plaats waar water uit de grond tevoorschijn komt
    Er zit een wel onder onze kelder en dat water moet afgepompt.

Etymologie

*wèl (alternatief voor beklemtoonde vorm tot 1996)

Uitdrukkingen

  • wel degelijk
  • Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt haar welliegen keert zich tegen je, altijd! - met een leugen schiet iemand niets op omdat de waarheid altijd vroeg of laat naar buiten komt
  • Dat zit wel snor
  • De beste breister laat wel eens een steek vallenook diegene die het kundigst is maakt fouten
  • De splinter in andermans oog wel zien, maar niet de balk in het eigenover kleine fouten van een ander vallen, terwijl de eigen grote fouten niet worden gezien
  • Doe wel en zie niet omdoe datgene wat je doet goed, doe goede daden, maar verwacht niet geprezen te worden of een dankjewel daarvoor
  • Doe wel naar mijn woorden, maar ziet niet naar mijn dadenik geef raad waar je je het beste aan kan houden, maar ik doe het zelf niet
  • Een oude bok lust wel eens een groen blaadjeeen oud persoon kan kan wel eens verliefd zijn op een vrij jong iemand

Vertalingen

Engelsmay, no less than
Duitsschon, wohl doch, mag