neofiet

mannelijk (de)/ˌnejoˈfit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. nieuweling, beginneling
    Seedorf, Surinamer die zich op eigen kracht heeft ontpolderd. Stedeling geworden bij Ajax, werelds in Milaan en Madrid. Dat is hem hier kwalijk genomen. Hang naar prestige is in de polder een visioen dat straf verdient. Nou, straf heeft hij gekregen. Als hij weer eens voor Oranje mocht spelen, viel een vijandige kilte genadeloos over de middenvelder. Hij kon niets goed doen. De meest cynische bondscoach ooit, Van Basten, had er plezier in de wereldvedette te raspen, als was hij een neofiet. NRC Hugo Camps 11 maart 2011 [https://www.nrc.nl/nieuws/2011/03/11/dalai-lama-12004065-a1189825 Dalai lama]
    Trainers zijn hun voetballeven geen drie dagen zeker in Afrika. In Nederland soms ook niet altijd als je ziet hoe AZ traineert met de contractverlenging van John van den Brom. Een neofiet kun je even laten bungelen, maar geen vijftiger met een conduitestaat tot het grote Anderlecht toe. AZ maakt er meer een politieke dan sportieve surplace van. NRC Hugo Camps 3 februari 2017 [https://www.nrc.nl/nieuws/2017/02/03/sport-en-politiek-6536328-a1544487 Sport en politiek]
    De 68-jarige Drahos, hoogleraar scheikunde en politiek neofiet, is de uitdager van president Milos Zeman (73) in de tweede ronde van de presidentsverkiezingen vrijdag en zaterdag. NRC Roeland Termote 26 januari 2018 [https://www.nrc.nl/nieuws/2018/01/26/krijgt-tsjechie-vriend-van-het-westen-als-president-a1589878 Krijgt Tsjechië vriend van het Westen als president?]
  2. iemand die pas sinds kort bekeerd is

Etymologie

* uit het Latijn

Uitdrukkingen

  • met de ijver van een neofietmet het enthousiasme en de energie van een beginneling