nek
mannelijk (de)/nɛk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) achterste gedeelte van de halsHaar nek deed pijn en haar hoofd bonkte.Ik droeg een pet met een lange achterflap om mijn nek te beschermen tegen de zon.Maar Teresa zweeg, met haar blik nog steeds op de uitgebrande kerk gericht, en het was alsof Olive de harde, donkere haarpunten in haar eigen nek voelde vallen.
Etymologie
* In de betekenis van ‘achterste deel van hals’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350
Uitdrukkingen
- De nek [durven] uitsteken — Een bepaald risico durven nemen (ten behoeve van iets anders)
- Iemand de nek toekeren — Niets meer met iemand te maken willen hebben (≈ iemand de rug toekeren)
- Iemand met de nek aankijken (aanzien) — Iemand negeren en minachtend behandelen
- Iemand op de nek zitten — Iemand continu controleren om te zien of diegene het opgedragen werk goed doet, al af heeft, etc.
- Ik heb geen ogen in mijn nek! — Ik kan niet zien wat er achter me gebeurt!
- Nek aan nek — Op gelijke positie voortgaan bij een race
- Over zijn nek gaan — overgeven, vomeren
- Tot aan/over zijn nek in de problemen/schulden, ... zitten — Heel veel problemen, schulden e.d. hebben
Vertalingen
Engelsnape
Fransnuque
DuitsNacken
Spaansnuca, cogote
Italiaansnuca
Portugeesnuca
Arabischقفا
Turksense
Poolsszyja, kark
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek