nauwheid

vrouwelijk (de)/ˈnɑuhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het niet wijd of ruim zijn; het nauw zijn
  2. het slank zijn
    De Rotterdamse scheepsbouwmeester Cornelis van Yk lucht in zijn Nederlandsche Scheeps-Bouw-Konst Open Gestelt (1697) zijn bezwaren tegen de nauwheid (slankheid) van koopvaardijschepen van die tijd. Zich beroepend op een werk van Simon de Vries, Wonderen op Zee, zegt Van Yk dat "voor eenige jaaren Pieter Jansz. de Mennonist, en Renier Pieters tot Hoorn" schepen lieten bouwen die de proporties van de ark van Noach bezaten. NRC A. Wegener Sleeswyk 18 juli 1998 [https://www.nrc.nl/nieuws/1998/07/18/de-ark-van-noach-7407853-a315683 De ark van Noach]
  3. het nauw met elkaar verbonden zijn
    En "de nauwheid van de onderlinge relaties, de hechtheid van de gemeenschap, maken het er ook niet gemakkelijk op iemand formeel aan te pakken". NRC 22 juni 2001 [https://www.nrc.nl/nieuws/2001/06/22/laksheid-op-alle-fronten-7546954-a608933 Laksheid op alle fronten]

Etymologie

*afleiding van nauw