murmelen

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. zachtjes en onverstaanbaar praten
    Mijn oude oma zat altijd in haar stoel te murmelen.
    Centrum Gent, stralende winterdag die wel lente lijkt. Aan mijn vrolijke soldeneuforie komt prompt een eind als ik word achtervolgd door een man. Twee straten lang loopt hij achter me aan, van alles murmelend wat ik niet versta of wil verstaan. Instant angst, onderbuik in een kramp. Aan mijn auto blijft hij zich opdringen tot ik instap en wegrijd. de Standaard 02 FEBRUARI 2016
  2. zacht ruisen van bijvoorbeeld een beekje
  3. zachtjes mopperen
    Na de 2-1 komt het oude euvel om de hoek kijken. We gaan te veel naar achteren lopen, het publiek begint te murmelen en de dreiging van de 2-2 ligt op de loer. Daarbij wil ik ook de complimenten aan Achilles geven. Tubantia Yadran Blanco 06-03-2016

Etymologie

* woord met een onomatopoëtische basis

Vertalingen

Engelsmurmur