metselsteen

mannelijk (de)/ˈmɛtsəlˌsten/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een steen die die een metselaar gebruikt voor het metselen van een muur
  2. materiaal waarvan een metselsteen is gemaakt
    Wanneer haar half aangekleede dochter Santje de houten sleutel van de kraan een slag omdraaide en kokend water tapte, stoomde het van de grond op en als vrouw Smies de ronde deksel van de metselsteenen oven tilde en Santje een blikke maat koud water uit een ton er in smeet, stegen er zulke dampwolken dat je ze dikwijls geen van-beien zien kon, met de turflucht die rooie oogranden gaf.