meten
/ˈmetə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) de waarde van een bepaalde grootheid bepalen door deze te vergelijken met een ijkwaardeHij mat de lengte van de kamer met een meetlat.Dat Olive haar aandacht naar iemand anders had verlegd, was een kloppende zweer, een eigenaardig soort kwelling; de eenzaamheid was lastig te meten zolang de bron ervan zich voor haar ogen bevond, de trap op en af liep, door de boomgaard, de voordeur uit en weg.Nu weet ik toevallig best wat van de Ellinikí kouzina, die zich volgens sommige foodies gemakkelijk kan meten met de andere landen rond de Middellandse Zee.
Etymologie
*(erfwoord) van Middelnederlands "meten", in de betekenis van ‘een maat bepalen’ voor het eerst aangetroffen in 1240; dit gaat weer terug op Oudnederlands "metan" dat in de 10e eeuw is aangetroffen
Uitdrukkingen
- passen en meten — heel nauwkeurig en inventief bezig zijn om iets passend te maken
- De zwakke vorm voor de verleden tijd meette(n) komt geregeld voor, zowel in België als in Nederland, maar is geen standaardtaal.[https://web.archive.org/web/20180530013521/http://taaladvies.net/taal/advies/vraag/1828/ Meten: meette / mat op website Nederlandse Taalunie: taaladvies.net]; geraadpleegd 2018-08-28Categorie:Gemengd werkwoord in het NederlandsCategorie:Zwak werkwoord (-t) in het Nederlands
- met twee maten meten
- meten is weten
- met passen en meten wordt de meeste tijd versleten
Vertalingen
Engelsmeasure
Fransmesurer
Duitsmessen
Spaansmedir, tomar la medida
Italiaansmisurare
Poolsmierzyć
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek