Meerkoet
mannelijk (de)/ˈmerkut/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kraanvogelachtigen) bepaald soort watervogel, een vogel uit de familie van de rallen, koeten en waterhoentjes (Rallidae) en het geslacht koeten (Fulica) geheel zwart met witte snavel en voorhoofdschild
Etymologie
* , in de betekenis van ‘ralvogel’ aangetroffen vanaf 1776
Vertalingen
Engelscoot
Fransfoulque macroule
DuitsBlässhuhn
Spaansfocha común
Poolsłyska
Zweedssothöna
Deensblishøne
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek