Meer

onzijdig (het)/mer/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aardrijkskunde (aardrijkskunde) groot water dat helemaal omringd is door land
    Ze besloten zich vanaf een plateau in een meertje te storten.
    Op de kaart stond namelijk dat er over 15 kilometer een meertje (Lake Morena) zou zijn, maar ik liep erg langzaam en het werd al laat.
  2. verouderd, aardrijkskunde (verouderd) (aardrijkskunde) zee
werkwoord
  1. (van hoeveelheid) in sterkere mate
    Deze bloem is meer rood dan oranje
    Als je wil slagen, moet je je meer inspannen.
  2. (van tijd)
  3. vaker
    Ik heb wel meer met de trein gereisd.
  4. na een ontkenning nog langer
    Hij is niet meer welkom.

Etymologie

*, : (erfwoord) via Middelnederlands """ / "meere" van Oudnederlands "mero"

Uitdrukkingen

  • meer pijlen op zijn boog hebben
  • en dies meer
  • als er een schaap over de dam is, volgen er meer.
  • één gek kan meer vragen/vragen stellen dan tien wijzen kunnen beantwoorden
  • een vliegende vogel heeft altijd meer dan een zittende
  • er verdrinken er meer in het glas dan in de zee
  • er zijn meer hondjes die fikkie heten
  • hoe meer zielen, hoe meer vreugd

Vertalingen

Engelslake, loch, more
Franslac
DuitsSee, mehr, und so weiter
Spaanslago
Italiaanslago
Portugeeslagoa
Russischозеро, более
Poolsjezioro
Zweedssjö, insjö