plas

mannelijk (de)/plɑs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een verzameling van vocht
    De wond veroorzaakte een plas van bloed.
  2. aardrijkskunde (aardrijkskunde) een door veenafgraving ontstaan klein meer
    ‘Van Gooooo,’ klonk een tijdje later het trage zuidelijke Tennessee accent van Pogue, ‘Is er daar water?’ Ik knikte en wees naar beneden in de richting van de groene plas.
  3. een enkele afscheiding van urine
    De dokter vroeg of ik mijn plas kon meenemen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘kuil met water, poel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285

Vertalingen

Engelspuddle, pool, piss
Franspipi