macher

mannelijk (de)/ˈmɑxər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. daadkrachtig persoon die belangrijke zaken tot stand kan brengen
    Hij overspeelde zijn hand in een carrousel van toezeggingen. In Zeist werd hij een paar keer overruled door directeur betaald voetbal Jean-Paul Decossaux. Eerder al was gebleken dat Van Breukelen meer bloempot dan macher was op het technische departement van de voetbalbond. Bij het ontslag van Danny Blind mocht hij de koffie uitschenken voor de heren van het laatste woord.
  2. verouderd (verouderd) (Bargoens) verkoper, boerenbedrieger

Etymologie

*van "Macher" [http://www.dbnl.org/tekst/moor012gehe02_01/moor012gehe02_01_0019.php?q=macherhl1 De geheimtalen. (2002) L.J. Veen, Amsterdam / Antwerpen]; ; p. 204; geraadpleegd 2018-05-09