maart

mannelijk (de)/mart/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tijdrekening (tijdrekening) derde maand van het jaar
    In maart begint de lente.
    'We moeten binnenkort ons vlees in huis halen en zorgen dat we daar minstens tot maart mee toe kunnen.
    Er is slechts een beperkt aantal maanden (tussen maart en september) geschikt om de sneeuwstormen te vermijden in de High Sierra’s en de Cascadebergen bij Canada.

Etymologie

*(eponiem): van Latijn "mensis Martius" (de maand van Mars)Mars is de Romeinse oorlogsgod. Het zou geluk brengen in deze maand de oorlog te beginnen.

Uitdrukkingen

  • Maart roert zijn staartEr kan aan het eind van maart soms nog een koudegolf zijn

Vertalingen

EngelsMarch
Fransmars
DuitsMärz
Spaansmarzo
Italiaansmarzo
PortugeesMarço, março
Russischмарт
Chinees三月
Japans3月
Koreaans삼월
Arabischمارس
Turksmart
Poolsmarzec
Zweedsmars
Deensmarts