maandagmorgen

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tijdrekening (tijdrekening) de uren van een maandag tussen de nachtelijke uren en de middag, de morgen van maandag
    We hebben die hele maandagmorgen in het ziekenhuis doorgebracht.
  2. tijdrekening (tijdrekening) in de morgen van de maandag
    Kun je maandagmorgen ook komen?
    Opperste concentratie in de coulissen van De Bond. Gespannen staan de leerlingen uit groep 8C van de basisschool Drie-eenheid maandagmorgen naar hun klasgenoten te kijken die op dat moment in de schijnwerpers staan. Als er al wat wordt gezegd, gebeurt dat op een fluistertoon die op de bühne niet te horen is.
    Gerard Sanderinks ict-bedrijf Centric wankelt onder de aanhoudende stroom van slechte publiciteit. Die opmerkelijke bekentenis deed bestuursvoorzitter Louis Luijten maandagmorgen in de rechtszaal in Almelo.