maandag

mannelijk (de)/ˈmandɑx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tijdrekening, dag (tijdrekening), (dag) een dag van de week, de eerste dag na het weekeinde
    Maandag is de meest gehate dag van de week.
    Op maandag - mijn eigenlijke verjaardag - liet ik aan het eind van de middag een uitgetypt kort verhaal op Quicks bureau achter.

Etymologie

*(eponiem); , leenvertaling van Latijn "dies" (dag) "Lunae", van "Luna", (van de Maan, opgevat als godheid)In de betekenis van ‘tweede dag van de week’ voor het eerst aangetroffen in 1253

Uitdrukkingen

  • Een blauwe maandag.Een korte tijd.

Vertalingen

EngelsMonday
Franslundi
DuitsMontag
Spaanslunes
Italiaanslunedì
Portugeessegunda-feira
Russischпонедельник
Chinees星期一
Japans月曜日
Koreaans월요일
Arabischالاثنين
Turkspazartesi
Poolsponiedziałek
Zweedsmåndag
Deensmandag