maand

mannelijk/vrouwelijk (de)/mant/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tijdrekening, eenheid (tijdrekening), (eenheid) elk van de twaalf met een eigen naam onderscheiden tijdvakken van 28, 30 of 31 dagen waarin een jaar verdeeld wordt
    Ik ben geboren in de maand juli.
    Juli was een mooie maand in Arazuelo.
  2. tijdrekening, eenheid (tijdrekening), (eenheid) een tijdsperiode van ongeveer 30 dagen
    De pup blijkt een maand oud te zijn.
    Je moet binnen een maand schriftelijk reageren op de klacht.
    Waarom ging ik zes maanden op de Pacific Crest Trail (PCT) dwars door Amerika lopen? Tja, waarom niet.

Etymologie

:Oost: : menoþs

Uitdrukkingen

  • de afgelopen maanden
  • met drie maanden verlengd
  • Alleen de tijdsaanduidingen op -r blijven na een bepaald telwoord in het enkelvoud: drie uur, drie jaar; maar: drie dagen, drie weken, drie maanden.

Vertalingen

Engelsmonth
Fransmois
DuitsMonat
Spaansmes
Italiaansmese
Portugeesmês
Chinees月份
Japans月, つき, tsuki
Turksay
Poolsmiesiąc
Zweedsmånad