maal

/mal/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verouderd (verouderd) tijdstip, tijd (vooral in samenstellingen en afleidingen)
  2. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
    Dit was de tweede maal dat zijn pet werd afgeblazen door de wind.
zelfstandig naamwoord
  1. de handeling van eten zoals die dagelijks op geregelde tijden plaatsvindt
    Elke avond stond er weer een heerlijk maal klaar.
zelfstandig naamwoord
  1. verouderd (verouderd) merkteken, vlek
zelfstandig naamwoord
  1. verouderd (verouderd) geërfde. markgenoot
zelfstandig naamwoord
  1. verouderd (verouderd) koe van anderhalf tot twee jaar, die nog niet heeft gekalfd
zelfstandig naamwoord
  1. verouderd (verouderd) zak, tas

Etymologie

* In de betekenis van ‘jonge koe’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 701

Vertalingen

Engelstime, meal
Fransfois, repas
DuitsMal, Mahl, Mahlzeit
Spaansvez
Poolsraz