maagdelijkheid

vrouwelijk (de)/ˈmaɣdələkˌhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. seksualiteit (seksualiteit) eigenschap dat je niet eerder geslachtsverkeer hebt gehad
    Ze bezat haar maagdelijkheid nog.
    In Amerika halen jongeren tegenwoordig later hun rijbewijs, drinken ze minder en verliezen later hun maagdelijkheid, omdat ze dag in dag uit alleen op hun kamer aan hun telefoon gekluisterd zitten.
    Maar ik was ook iemand anders geworden, Eric Henri Letang was iemand anders dan Eric Lauritzen, al zaten ze in hetzelfde lichaam. Wat dat betekende wist ik niet, alleen dat het op een of andere manier cruciaal moest zijn. Of het even cruciaal zou worden om je maagdelijkheid te verliezen, wist ik natuurlijk niet.

Etymologie

*van Middelnederlands "magedelijcheit", op te vatten als "maagdelijk"

Vertalingen

Engelsvirginity
Spaansvirginidad