lus
mannelijk/vrouwelijk (de)/lʏs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een kring aangebracht in een touw of bandEr zit een lusje aan om het op te kunnen hangen.Toen was het mijn beurt en ik bond een steen aan een lang stuk touw, hield de grote lussen in mijn linkerhand, gaf een harde slinger en liet los.
- een seriematige herhaling.'s Nachts wordt er op televisie een lus van journaals uitgezonden.
Etymologie
* In de betekenis van ‘tot een oog gedraaid touw’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1651
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek