lust

mannelijk (de)/lʏst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. seksualiteit (seksualiteit) seksueel verlangen, geilheid, wellust
    Hij gaf toe aan zijn dierlijke lusten.
  2. behoefte of verlangen (zin om) iets te doen
    Na die vermoeiende dag had hij geen enkele lust meer om dat te doen.
  3. plezier, genot
    De zaak was voor Arend zijn lust en zijn leven.
    Daar komt nog eens bij dat zijn werken een lust voor het oog zijn, zonder ooit zoetsappig te worden.

Etymologie

*Lust betekent begeerte, hevig verlangen. Het woord verscheen omstreeks 1265-1270 in de Middelnederlandse taal, onder invloed van het Oudhoogduitse, Oudfriese en Oudengelse lust, het Oudsaksische lusta en het Gotische lustus. Het woord hangt samen met het Latijnse lascivus, "dartel", het Oudgriekse lilaiomai, "ik begeer", en Oudindisch lasati, "hij streeft

Uitdrukkingen

  • De lust is mij (jou/hem/haar, ...) vergaanErgens geen zin meer in hebben
  • Zijn lust botvierenEen verlangen bevredigen
  • Wel de lusten, niet de lastenAlleen de aangename kant van iets willen ervaren

Vertalingen

Engelsdesire, lust, sexual pleasure
Spaansdeseo, lujuria, voluptuosidad