luim

mannelijk/vrouwelijk (de)/lœym/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de stemming van een persoon op een bepaald tijdstip
    Zeven nummers speelden ze uit de nieuwe plaat, maar dat vonden we dus echt niet erg; en zeven uit American Idiot, waaronder ‘Holiday’. Als u belooft het niet verder te vertellen: ik neem ‘Holiday’ wel eens mee op vakantie, om dan pakweg een Portugese boer te doen opschrikken uit zijn siesta met mijn krachtig mee gescandeerde ‘hey!’ Mooie herinneringen, goede luim: Armstrong weet dat we daarvoor van zijn band houden. Pas na vijf nummers sprak hij de zaal toe: ‘vanavond gaat het om passie en medeleven. Er is zoveel negativiteit tegenwoordig; ik kan zelfs niet naar het nieuws kijken. Ik weet niet meer wat waar is en wat gelogen.’De Standaard 03/02/2017 door Inge Schelstraete
  2. vrolijkheid
    Het programma omvatte verschillende onderdelen van het ambacht schrijven en stond in het teken van ernst en luim. „Het schrijven van een boek vergelijk ik altijd met het bouwen van een huis”, legde Hendriksen beeldend uit. „Je begint met de fundering, je bouwt, bekijkt en voegt toe.”Volkskrant Almelo 19-11-2011

Etymologie

*via "lune" (: "Laune") van Latijn "luna" "maan", vanuit de gedachte dat iemands stemming afhankelijk is van de maanstand; in de betekenis van ‘stemming’ aangetroffen vanaf 1605

Vertalingen

Engelsspur of moment
DuitsStimmung