lom

mannelijk (de)/lɔm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. straalvinnigen, voeding (m) (straalvinnigen) (voeding) bepaald soort zeevis, , behorende tot de dorsvissen
  2. verouderd (m) (verouderd) benaming voor vogels uit de orde
  3. in het ijs uitgehakte opening, bijt
  4. onderwijs, geschiedenis (n) (onderwijs) (geschiedenis) tot 1998 gegeven onderwijs op Nederlandse scholen voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden

Etymologie

*[2] van "lom", in de betekenis van ‘duikerhoen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1612

Vertalingen

Engelscusk
DuitsLumb
Spaansbrosmio
Poolsbrosma
Zweedslubb