Duiker

mannelijk (de)/ˈdœykər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) iemand die voor beroep of plezier zich onder de waterspiegel begeeft, het duiken, kikvorsman
  2. dierkunde (dierkunde) benaming voor vogels uit de orde
  3. evenhoevigen (evenhoevigen) Afrikaanse antilope, behorende tot de onderfamilie der duikers , duikerbok
  4. waterbeheer, techniek (waterbeheer), (techniek) een kokervormige constructie, gelegen onder wegen of andere constructies, die is bedoeld om wateren met elkaar te verbinden; grondduiker

Etymologie

* van "duiken"

Vertalingen

Engelsdiver
DuitsTaucher, Taucherin
Spaansbuceador, buzo