Duiker
mannelijk (de)/ˈdœykər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) iemand die voor beroep of plezier zich onder de waterspiegel begeeft, het duiken, kikvorsman
- (dierkunde) benaming voor vogels uit de orde
- (evenhoevigen) Afrikaanse antilope, behorende tot de onderfamilie der duikers , duikerbok
- (waterbeheer), (techniek) een kokervormige constructie, gelegen onder wegen of andere constructies, die is bedoeld om wateren met elkaar te verbinden; grondduiker
Etymologie
* van "duiken"
Vertalingen
Engelsdiver
DuitsTaucher, Taucherin
Spaansbuceador, buzo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek