logeren

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) (iemand) in huis opnemen, herbergen
    Tom heeft laatst zonder problemen een volstrekte vreemde gelogeerd.
  2. inerg (inerg) (bij iemand) blijven slapen
    De jongen mocht logeren bij een vriendje.
    Ik ging bij haar logeren en mijn dagen vulden zich met huishoudelijke bezigheden, boodschappen, administratie, voorlezen en verzorging.
    Ik kende Nadja uit mijn jeugd, omdat ze in de zomer altijd hvee maanden kwam logeren bij haar oma, die een huisje had naast de boerderij van Milan.

Etymologie

*afgeleid van het Franse loger () [https://fr.wiktionary.org/wiki/loger Wiktionnaire]

Vertalingen

Engelsstay
Fransloger
Spaansalojarse, estar convidado, hospedarse